Het had gevroren. Heel hard gevroren. Alle daken glinsterden in het maanlicht, alsof iemand er suiker over had gestrooid. Aan de dakgoten hingen kleine ijspegeltjes. Het was prachtig om te zien. Maar het was ook een beetje glad.
Het was de nacht dat de kinderen hun schoen hadden gezet. Sinterklaas zat op zijn paard, warm ingepakt in zijn mantel. Achter hem stonden de Pieten klaar, met manden vol mandarijnen en pepernoten.
"Kom, mijn vriend," zei de Sint. "Daar gaan we."
Het paard zette een hoef op het eerste dak. En hij gleed een klein stukje opzij. Oei! Hij zette nog een hoef neer. Weer een stukje opzij. Oei, oei! Het paard zette zijn benen wijd uit elkaar, zoals een kalfje dat net leert lopen.
"Rustig maar," zei de Sint zacht. Hij aaide het paard over zijn hals. "We doen het heel langzaam. Stapje voor stapje."
En er was nog iets. Op het harde ijs klonken de hoeven heel luid. Tik! Tak! Tik! Tak! Het galmde door de hele straat. Tik! Tak! Tik! Tak!
"Sssst," fluisterde een Piet. "Straks worden alle kinderen wakker."
In een huis ging een lampje aan. Iedereen hield zijn adem in. Niemand bewoog. Na een tijdje ging het lampje weer uit. Pfff. Dat was op het nippertje.
Sinterklaas streek nadenkend over zijn baard. "Zo komen we nooit langs alle huizen," zei hij. "Wat moeten we doen?"
De Pieten dachten na. Klimpiet dacht na. Hoofdpiet dacht na. En Breipiet dacht ook na. Breipiet is de Piet die altijd aan het breien is. Dekentjes voor de stal, sjaals voor de Sint, wanten voor koude nachten. Ineens begon ze te glimlachen.
"Ik weet het!" riep ze zachtjes. "Wacht hier!"
Ze klom vlug naar beneden en rende naar het huis waar de Pieten logeerden. Ze pakte haar dikste bol wol. En haar langste breinaalden. En ze begon te breien. Klik klik klik klik. Zo snel als ze kon. Klik klik klik klik. De bol wol werd kleiner en kleiner. Klik klik klik klik.
Een uur later kwam ze terug. Helemaal buiten adem. In haar armen had ze vier grote, warme, rode sokken. Met een gouden streep. En aan elke sok een klein belletje, zo klein dat je het bijna niet hoorde. Tring. Heel zachtjes.
"Sokken?" vroeg de Sint verbaasd. "Voor het paard?"
"Wollen sokken," zei Breipiet trots. "Dan glijdt hij niet meer. En dan maakt hij geen lawaai."
Ze trokken het paard de sokken aan. Eén sok. Twee sokken. Drie sokken. Vier sokken. Het paard tilde zijn voeten een voor een op, heel braaf. Toen keek hij naar beneden, naar zijn rode voeten. Hij hinnikte zacht. Het leek wel of hij lachte.
"Je ziet er prachtig uit," zei de Sint.
Toen stapte het paard het dak weer op. Iedereen keek. En wat gebeurde er?
Hij gleed niet meer weg. Geen klein stukje. De zachte wol hield zich goed vast op het ijs. En zijn hoeven klonken ook niet meer als tik tak. Nee hoor. Ze klonken als: plof, plof, plof. Plof, plof, plof. Zacht als een kussen.
"Het werkt!" fluisterde Klimpiet.
Van dak naar dak gingen ze. Plof, plof, plof. Over de hoge daken en over de lage daken. Plof, plof, plof. Langs de schoorstenen en langs de dakgoten. En bij elk huis lieten de Pieten iets lekkers achter in de schoenen.
Die nacht werd er geen enkel kind wakker. Niet één.
Maar 's ochtends deed een meisje haar gordijnen open. Op de vensterbank, buiten in de witte rijp, lag iets kleins. Een rood wolletje. Met een gouden draadje erdoor.
Het meisje drukte haar neus tegen het koude raam. En ze wist het meteen. Het paard was hier geweest.