Muziekpiet heeft heel goede oren. Hij hoort muziek op plekken waar niemand anders ze hoort. In de regen die op het dak tikt: tik-tik-tik, tikketik. In het gezoem van de koelkast: zzzoem. In het borrelen van een pan chocolademelk: blub, blub, blubbedieblub. En zelfs in het snurken van het paard van Sinterklaas.
"Dat is geen snurken," zegt Muziekpiet dan. "Dat is een lage trom."
De andere Pieten lachen erom. "Voor Muziekpiet is alles muziek," zegt Bakpiet. "Zelfs als ik een ei breek." En dat is waar. Want als Bakpiet een ei breekt, tikt Muziekpiet met zijn voet mee. Krak. Tik. Krak. Tik.
Op een winderige avond, een paar dagen voor pakjesavond, zat Muziekpiet op een dak te wachten. Sinterklaas reed op zijn paard over de daken verderop, om te kijken of alle schoenen goed stonden. Muziekpiet moest blijven waar hij was. Het was koud. Hij wreef zijn handen warm en luisterde naar de nacht.
De wind blies over de schoorstenen. En toen hoorde hij het. De dikke schoorsteen naast hem maakte een lage toon. Hoeeee. De smalle schoorsteen verderop een hoge. Fieeee. En de scheve schoorsteen op de hoek iets daartussenin. Hoooo.
Muziekpiet hield zijn adem in. Hij luisterde nog eens. Hoeeee. Fieeee. Hoooo.
"Het zijn fluiten!" fluisterde hij. "Grote stenen fluiten!"
Hij floot zachtjes het geheime Pietenfluitje. Even later klommen de andere Pieten een voor een het dak op. Klimpiet als eerste, natuurlijk. Daarna Bakpiet, die nog een beetje naar speculaas rook. En als laatste Inpakpiet, met een rolletje plakband in zijn hand, want dat vergat hij altijd neer te leggen.
"Wat is er?" fluisterde Klimpiet. "Is er iets mis?"
"Er is niets mis," zei Muziekpiet. "Luister maar."
Ze luisterden. Hoeeee. Fieeee. Hoooo. Bakpiet hield verbaasd zijn adem in.
Muziekpiet gaf iedereen een eigen schoorsteen. Bakpiet kreeg de dikke. Klimpiet de smalle. Inpakpiet de scheve. "Als ik naar jou wijs, blaas je zachtjes over de rand," legde hij uit. "Heel zachtjes. Er liggen kinderen te slapen."
"Zachtjes," herhaalden de Pieten. Ze knikten.
Muziekpiet wees naar Bakpiet. Bakpiet haalde diep adem. Héél diep. En toen blies hij zo hard als hij kon.
FOEEEEEEE!
De schoorsteen loeide als een koe met keelpijn. In het huis ernaast ging een lampje aan. Ergens begon een hond te blaffen. Woef! Woef! De Pieten lagen plat op het dak en durfden niet te bewegen. Na een tijdje ging het lampje weer uit. De hond zuchtte en werd stil.
"Sorry," fluisterde Bakpiet. "Ik was een beetje te enthousiast."
"Geeft niets," fluisterde Muziekpiet terug. "Doe maar alsof je over een kop warme chocolademelk blaast. Niet om hem om te gooien. Alleen om hem af te koelen."
Bakpiet knikte. Dat begreep hij. Daar was hij heel goed in.
Muziekpiet ging op de nok van het dak staan, met een pepernoot als dirigeerstokje. Hij tikte er drie keer mee in de lucht. Tik, tik, tik. Toen wees hij naar links. Hoeee. Hij wees naar rechts. Fieeee. Hij wees naar het midden. Hoooo. Eerst langzaam, toen een beetje sneller. Hoe-fie-hoo. Fie-hoo-hoe. En zo, schoorsteen na schoorsteen, ontstond er een zacht en mooi liedje dat over de hele straat zweefde.
Het was geen liedje dat iemand kende. Het was een nieuw liedje, alleen voor deze nacht. Zelfs de wind leek mee te doen. Een paar daken verderop bleef het paard van Sinterklaas staan, met zijn oren recht omhoog. En Sinterklaas glimlachte in zijn baard.
Onder een van die daken lag Amir in bed. Hij was half wakker, half aan het dromen. Hij hoorde een zachte melodie, ergens heel hoog boven zijn hoofd. Het klonk als wind, maar dan mooier. Hoe-fie-hoo. Hij trok zijn deken op tot aan zijn kin, glimlachte en viel weer in slaap.
's Ochtends kwam Amir de keuken in gerend. "Papa! Ik hoorde muziek op het dak!"
Papa smeerde een boterham en lachte. "Dat was vast de wind. Het heeft vannacht flink gewaaid."
Amir zei niets meer. Hij at zijn boterham. Maar onder het eten neuriede hij zachtjes een liedje dat niemand kende. Hoe-fie-hoo. Fie-hoo-hoe.
Want Amir wist wel beter.