Yara woonde op de twaalfde verdieping van een hoog flatgebouw. Vanuit haar raam kon ze over de hele stad kijken. Ze zag de daken, de kerktoren en 's avonds duizend kleine lichtjes. Dat was mooi. Maar er was één probleem.
Er was geen schoorsteen. En geen tuin. En geen schuin dak waar een paard op kon staan.
"Mama," vroeg Yara op een avond, "hoe komt Sinterklaas dan bij mij?"
Mama dacht even na. "De Sint vindt altijd een manier," zei ze. "Dat heeft hij altijd al gedaan."
Yara was er niet helemaal gerust op. Toch zette ze haar schoen bij de voordeur, in de gang. Ze legde er een tekening bij van een flatgebouw met heel veel raampjes. Bij het allerhoogste raampje tekende ze een grote pijl. Hier woon ik, schreef ze erbij. Voor de zekerheid.
Diezelfde avond stond Sinterklaas beneden voor de deur van de flat, samen met een Piet. Het was koud. De wind blies tussen de hoge gebouwen door en liet de mantel van de Sint flapperen. De Piet keek omhoog. En omhoog. En nog verder omhoog, tot hij bijna achterover viel.
"Geen schoorsteen," zei de Piet. "Geen dak voor het paard. En twaalf verdiepingen."
"Dan nemen we de lift," zei de Sint.
Ze stapten in. Het was een kleine lift, met een spiegel en een rij glimmende knopjes. De Piet had nog nooit zoveel knopjes bij elkaar gezien. Zijn ogen werden groot. "Welke moet ik hebben?" vroeg hij.
"De twaalf," zei de Sint.
Maar de Piet was zo enthousiast dat hij ze allemaal tegelijk indrukte. Een, twee, drie, vier, vijf... tot en met twaalf. Alle knopjes lichtten op.
"Oeps," zei de Piet.
Ping! De lift stopte op de eerste verdieping. De deuren schoven open. Daar stond een oude mevrouw in haar pantoffels, met een volle vuilnisbak in haar hand. Ze keek. Ze knipperde met haar ogen. Ze liet de vuilnisbak bijna vallen.
"Goedenavond, mevrouw," zei de Sint beleefd. De deuren schoven weer dicht.
Ping! Tweede verdieping. Daar stond een meneer met een dikke kat op zijn arm. De kat keek de Sint heel lang aan, zonder te knipperen. De Sint keek heel lang terug. "Miauw," zei de kat ten slotte. "Ook goedenavond," zei de Sint.
Ping! Derde verdieping. Een tweeling in pyjama, met een tandenborstel in hun mond. Ze vergaten helemaal te poetsen.
Ping! Vierde verdieping. Een mama met een baby die al de hele avond huilde. Maar toen de baby de Sint zag, hield hij meteen op. Hij stak een klein handje uit en greep naar de baard van de Sint. "Hij mag wel even," lachte de Sint.
Op elke verdieping zwaaide de Sint. En op elke verdieping gebeurde hetzelfde. De mensen keken elkaar aan, trokken hun jas aan of juist niet, en liepen via de trap mee naar boven. Ze wilden zien waar de Sint naartoe ging.
Ping! Vijfde verdieping. Een jongen met een trompet. Ping! Zesde. Een opa die net een cake uit de oven had gehaald. Ping! Zevende, achtste, negende. Ping, ping, ping!
Op de trap werd het steeds drukker. Je hoorde gestommel en gefluister en gegiechel. "Waar gaat hij heen?" "Ik weet het niet!" "Stil nou, anders hoort hij ons!"
Ping! Tiende. Ping! Elfde. En toen eindelijk: ping! De twaalfde verdieping.
De Sint stapte uit. Hij streek zijn mantel glad en rechtte zijn mijter. Hij liep door de gang tot hij bij de schoen kwam, met de tekening ernaast. Hij bekeek de tekening, met de grote pijl naar het hoogste raampje. Hij glimlachte. Toen belde hij aan. Ding dong.
Yara deed open. Ze zag de Sint. En achter hem een Piet. En achter de Piet bijna het hele flatgebouw, met pantoffels, een dikke kat, een tweeling in pyjama, een baby, een jongen met een trompet en een opa met een cake.
Yara wist niet wat ze moest zeggen. Ze keek alleen maar, met haar mond wijd open.
"Ziezo," zei de Sint. "Wie heeft er nog een schoorsteen nodig?"
En die avond was er in de gang van de twaalfde verdieping het gezelligste feest van de hele flat. De opa sneed zijn cake in kleine stukjes. De Piet strooide pepernoten. De jongen speelde op zijn trompet, en iedereen zong een Sinterklaasliedje, zelfs de mevrouw in pantoffels. De kat at een kruimeltje cake en spinde.
Buren die elkaar al jaren alleen in de lift zagen, praatten nu met elkaar alsof ze oude vrienden waren.
Toen de Sint weer naar beneden ging, keek Yara uit het raam. Over de daken, de kerktoren en de duizend lichtjes. "Zie je wel," zei mama zacht. "Hij vindt altijd een manier."