Wegwijspiet weet altijd de weg. Dat zegt hij zelf. Hij kent elke straat, elk steegje en elk bruggetje. Hij heeft een grote kaart, zo groot als een tafelkleed, en die draagt hij altijd opgevouwen onder zijn arm.
"Vraag het maar aan mij," zegt Wegwijspiet. "Ik verdwaal nooit."
Dat dacht hij tenminste.
Op een koude avond moest Sinterklaas naar een klein dorpje achter de heuvels. Daar wachtten de kinderen al op hem, met hun schoen bij de kachel. De Sint zat op zijn paard, warm ingepakt in zijn mantel. Wegwijspiet liep ernaast met een lantaarn. Het licht zwaaide heen en weer. Klip, klop, deden de hoeven op de weg.
Bij een kruispunt stopten ze. Wegwijspiet vouwde zijn grote kaart open. Hij hield de lantaarn erbij en wees met zijn vinger.
"Makkelijk," zei hij. "Rechtdoor, dan links, dan over de brug!"
Dus gingen ze rechtdoor. Langs een rij kale bomen. Langs een sloot waar een eend in zijn slaap kwaakte. Kwek.
Toen sloegen ze links af. Het pad werd smaller. Het rook naar natte bladeren en hooi.
Toen gingen ze over de brug. Het hout bonkte onder de hoeven. Bonk, bonk, bonk.
En toen… kwam er geen dorp.
Er kwam een boerderij. Met een grote schuur. Met een tractor. En met een wei vol koeien die verbaasd opkeken. Een van de koeien zei heel langzaam: "Boeoeoe."
"Hm," zei Wegwijspiet. Hij keek naar de koeien. Hij keek naar de kaart. Hij draaide de kaart een kwartslag. En nog een kwartslag.
"O," zei hij toen, heel zacht. "Ik hield hem op zijn kop."
Hij werd er een beetje warm van, ondanks de kou. "Het spijt me, Sinterklaas. Ik weet altijd de weg. Behalve vanavond, blijkbaar."
"Dat geeft niets, beste Piet," zei de Sint rustig. "Een omweg is ook een weg."
Op dat moment ging er een lampje aan in de boerderij. Toen nog een. De voordeur ging open, piiiep, en twee kinderen stonden in hun pyjama in de deuropening. Een jongen en een meisje. Ze hadden hun ogen nog vol slaap. Maar toen ze zagen wie er op het erf stond, werden hun ogen zo groot als schoteltjes.
"Sinterklaas?!" riep het meisje. "Hier? Bij ons?"
De jongen kneep in zijn eigen arm, om te voelen of hij niet droomde.
De Sint glimlachte. "Nu we hier toch zijn," zei hij, "kom ik even goedendag zeggen."
Hij stapte af en liep naar de deur. Hij vroeg naar de koeien. "Hoe heten ze allemaal?" Hij vroeg naar de kalfjes. "Zijn ze al groot?" En hij vroeg naar de tractor. "Mag je daar ook weleens op meerijden?"
De kinderen vertelden honderduit. Over de koe die altijd ontsnapt. Over het kalfje dat vorige week geboren was. Over de tractor, die zo hard bromt dat de ramen ervan trillen.
Het paard van Sinterklaas stond ondertussen bij het hek. Aan de andere kant stond het boerenpaard, een groot bruin paard met lange manen. Ze snuffelden aan elkaar. Snuf, snuf. Toen bliezen ze allebei een wolkje warme adem uit. Ze leken het goed met elkaar te kunnen vinden.
Wegwijspiet stond er een beetje stil bij, met zijn kaart in zijn handen.
"Zeg eens," vroeg de Sint aan de kinderen. "Weten jullie misschien de weg naar het dorp achter de heuvels?"
"Natuurlijk," zei het meisje meteen. "Daar gaan we elke dag naar school."
"Langs het kerkje," zei de jongen.
"En dan het zandpad op," zei het meisje. "Dat is veel korter dan over de grote weg."
"Langs het kerkje en dan het zandpad op," herhaalde Wegwijspiet. Hij vouwde zijn kaart dicht. Deze keer met de goede kant naar boven.
De Sint gaf de kinderen elk een handje pepernoten. "Voor de goede raad," zei hij. "En nu snel terug naar bed, hoor. Het is al laat."
De kinderen zwaaiden tot het licht van de lantaarn helemaal verdwenen was.
Langs het kerkje. Het zandpad op. Klip, klop. En jawel: na een paar minuten zagen ze de lichtjes van het dorp al twinkelen. Sinterklaas kwam toch nog precies op tijd. Geen enkele schoen werd vergeten.
Wegwijspiet heeft er iets van geleerd. Hij kijkt nu altijd twee keer of zijn kaart wel goed om zit. Eén keer van boven, één keer van onder. En als hij twijfelt, vraagt hij het gewoon aan een kind.
Want kinderen weten namelijk overal de kortste weg.