Pakjesavond was voorbij. Alle pakjes waren uitgepakt. Overal lagen snippers papier en lege mandarijnschillen. Hier een lint. Daar een strikje. En onder de bank lag nog een halve pepernoot, die niemand had gevonden.
In alle huizen sliepen de kinderen. Moe en gelukkig, met een nieuwe knuffel of een boek in hun armen.
Sinterklaas zat op zijn paard op het allerhoogste dak van de stad. Het was stil. Alleen de sterren fonkelden. Heel af en toe hoorde je een kat miauwen. Miauw. En dan was het weer stil.
De wind was koud, maar de mantel van de Sint was warm. Het paard blies wolkjes in de lucht. Pfff. Pfff. Kleine witte wolkjes, die langzaam verdwenen.
"Het was een mooi jaar," zei de Sint zacht.
Het paard knikte.
Samen keken ze naar alle daken. Er waren heel veel daken. Grote daken en kleine daken. Schuine daken en platte daken. En achter elk raam lag een kind te slapen.
Een kind dat had leren fietsen. Een kind dat lief was voor zijn kleine zusje. Een kind dat al tot honderd kon tellen. Een kind dat een beetje verlegen was, maar toch heel dapper. Een kind dat zijn wortel had gedeeld met het konijn van de buren. Een kind dat elke dag een tekening had gemaakt, tot de stapel bijna net zo hoog was als zijzelf.
De Sint kende ze allemaal.
In één raam hing een tekening, met grote letters erop: DAG SINT. De Sint glimlachte en zwaaide er zachtjes naar, ook al sliep het kind daarbinnen allang.
"Ik ga ze missen," zei hij.
Het paard duwde zijn neus even tegen de hand van de Sint. Alsof hij wilde zeggen: ik ook.
De volgende ochtend stond de stoomboot klaar in de haven. Het was druk op de kade. De Pieten droegen lege manden aan boord. Eén mand, twee manden, drie manden. Ze waren licht, want alles was uitgedeeld.
Bakpiet had nog één doos pepernoten bewaard. "Voor onderweg," zei hij, en hij hield de doos stevig vast. "De zee is groot. En op zee krijg je honger."
De Hoofdpiet telde of iedereen er was. "Inpakpiet?" "Hier!" "Klimpiet?" "Hier!" "Rijmpiet?"
"Hier ben ik, op de boot, met een rijm in mijn hoofd en een pepernoot!"
Iedereen lachte.
Toen was het paard aan de beurt. Klip, klop, klip, klop, over de loopplank. Halverwege bleef hij staan. Hij keek nog één keer om, naar de stad. Naar de daken en de schoorstenen en de ramen.
"Kom maar," zei de Sint zacht. "We komen terug. Dat beloof ik."
Klip, klop. Het paard stapte aan boord.
Bakpiet kon niet langer wachten. Hij maakte de doos alvast open. Eén pepernoot voor de Sint. Eén voor het paard. En eentje voor zichzelf. Knabbel, knabbel. "Zo," zei hij tevreden. "Nu zijn we klaar voor de reis."
De stoomboot toeterde. Toeoeoet! Langzaam voer hij weg, de rivier af, richting de zee. Op de kade stonden een paar kinderen te zwaaien in hun winterjas. Een klein meisje zat op de schouders van haar papa. Ze zwaaide met allebei haar handen tegelijk.
De Sint zwaaide terug. En hij bleef zwaaien. Tot de kinderen zo klein waren als stipjes. En tot de stipjes helemaal weg waren.
"Tot volgend jaar," fluisterde hij.
En in een huis ergens in de stad droomde een kind van een wit paard, een rode mantel en een stoomboot op een grote blauwe zee.
Slaap lekker.