Midden op de grote zee, ver weg van elk strand, voer de stoomboot van Sinterklaas door de golven. Tsjoeke-tsjoeke-tsjoek, deed de motor. De lucht rook naar zout en zeewier, en een klein beetje naar speculaas, want beneden in het ruim lagen honderden pakjes klaar.
De Pieten waren druk bezig. Telpiet telde pakjes. "Negenhonderd negenennegentig, duizend…" Poetspiet poetste de koperen bel tot hij blonk als een zonnetje. En Kaartpiet zat met zijn neus in een dik boek over kaarten lezen, want later wilde hij kapitein worden.
Sinterklaas zat op het dek in zijn grote stoel, met een warme deken over zijn knieën. Hij keek naar de golven en neuriede zachtjes een liedje.
Opeens klonk er een enorm "PFFFFFF!"
Naast de boot spoot een fontein van water hoog de lucht in. Spetter, spetter, spetter, regende het op het dek. Telpiet liet van schrik een pakje vallen. Poetspiet liet zijn poetsdoek vallen. En Kaartpiet liet zijn dikke boek vallen, precies op zijn eigen teen. "Au!"
Alle Pieten renden naar de reling. Daar, vlak naast de boot, zwom een walvis. Een héle grote. Met een buik zo glad als een glijbaan en een staart zo breed als een tafel.
"Is hij gevaarlijk?" fluisterde Telpiet.
"Welnee," zei Sinterklaas. Hij stond op uit zijn stoel en zwaaide. "Goedemorgen, meneer de walvis!"
De walvis keek met één groot, vriendelijk oog naar boven. En toen zwaaide hij terug. Met zijn staart. Woesj! Een golf zeewater vloog over de reling, en drie Pieten werden kletsnat. Van top tot teen. Ze keken elkaar aan, druppend en verbaasd. En toen proestten ze het uit van het lachen.
"Hij zegt goedemorgen terug," lachte Sinterklaas.
De hele dag zwom de walvis mee. Als de boot naar links ging, ging de walvis ook naar links. Als de boot naar rechts ging, ging de walvis ook naar rechts. En als de boot even stil lag, lag de walvis ook stil, met zijn rug boven het water, als een klein grijs eiland.
Na het middageten gebeurde er iets vreemds. Poetspiet keek over de reling en riep: "Waar is hij nou?"
De walvis was weg. Het water was glad en stil. Geen staart, geen rug, geen fontein.
"Misschien is hij naar huis gegaan," zei Telpiet zachtjes.
"Zonder dag te zeggen?" vroeg Kaartpiet. Hij keek er een beetje verdrietig bij.
Ze wachtten. Ze tuurden. Ze telden tot tien. En toen, aan de andere kant van de boot: "PFFFFFF!"
Daar was hij weer! Hij was gewoon onder de boot door gezwommen, helemaal naar de andere kant. De Pieten juichten zo hard dat de meeuwen ervan opvlogen.
Die middag ontdekten ze nog iets. Toen de Pieten een Sinterklaasliedje begonnen te zingen, sloeg Telpiet de maat op een lege doos. Bom, bom, bom. En bij elke derde bom blies de walvis een fontein. Bom, bom… PFFF! Bom, bom… PFFF! Precies op de maat.
"Hij zingt mee!" riep Poetspiet. "Op zijn eigen manier!"
Zo voeren ze verder, zingend en spetterend, tot de zon laag boven het water hing. Toen riep Kaartpiet, met zijn verrekijker voor zijn ogen: "Land! Ik zie de kust!"
Op dat moment draaide de walvis zich langzaam om. Hij wilde terug naar de diepe, open zee.
Telpiet rende naar het ruim en kwam terug met een pepernoot. "Wil je een pepernoot voor onderweg?" vroeg hij, en hij hield hem hoog boven de reling.
Sinterklaas glimlachte. "Dat is lief van je, Telpiet. Maar een walvis lust geen pepernoten. Hij eet alleen piepkleine visjes en slurpt heel veel zeewater."
Telpiet keek naar zijn pepernoot en toen naar de walvis. "Maar dan hebben we niets om hem te geven."
"O jawel," zei Sinterklaas. "Hij hield toch zo van ons gezang? Dan zingen we nog één keer voor hem."
En zo gingen alle Pieten op een rij langs de reling staan. Ook Sinterklaas. Ze zongen het mooiste lied dat ze kenden, zachtjes en heel lang. De walvis bleef stil liggen en luisterde. Toen het lied uit was, blies hij een laatste fontein, de hoogste van de hele dag. In de avondzon leken de druppels wel goud.
Daarna dook hij onder, en verdween in de diepe blauwe zee.
Sindsdien kijken de Pieten op elke reis over de reling. Kaartpiet met zijn verrekijker. Poetspiet met zijn poetsdoek. En Telpiet met een liedje klaar. Want je weet maar nooit wie er deze keer meezwemt.