Elke avond, als de Pieten klaar zijn met inpakken en de stal is opgeruimd, gaat Sinterklaas aan zijn bureau zitten. Dan zet hij zijn bril op zijn neus en slaat hij het Grote Boek open. Het boek is zo dik als een stoeptegel en zo zwaar dat twee Pieten het moeten dragen.
In het Grote Boek staat over elk kind iets moois. Wie heeft leren zwemmen. Wie goed voor de kat zorgt. Wie zijn speelgoed deelt, ook als dat een beetje moeilijk is. De Sint leest elke bladzijde langzaam en met aandacht. Soms knikt hij. Soms grinnikt hij. En soms zegt hij zachtjes: "Kijk eens aan."
Op een koude avond in november zat de Sint weer te lezen. Buiten tikte de regen tegen het raam. Binnen brandde de kachel. Naast het boek stond een grote beker warme chocolademelk, met een dikke laag schuim erop. Het rook heerlijk.
De Sint sloeg een bladzijde om. En nog één. Hij las over een jongen die een vogelhuisje had getimmerd. Hij las over een meisje dat elke dag de plantjes water gaf. En toen hij de volgende bladzijde wilde omslaan, zwaaide zijn wijde mouw een beetje te ver.
Tik! Zijn mouw raakte de beker. De beker wiebelde. En plets! Een dikke bruine druppel viel midden op de pagina. Precies op de bladzijde van Noor.
"Oei," zei de Sint. "Oei, oei, oei. Pieten, snel!"
Je hebt nog nooit Pieten zo hard zien rennen. De Inpakpiet kwam als eerste binnen, met een hele rol keukenpapier onder zijn arm. Achter hem kwam de Hoofdpiet, en daarachter nog drie Pieten die niet goed wisten wat er aan de hand was, maar die toch maar meerenden.
"Niet wrijven!" riep de Hoofdpiet. "Als je wrijft, wordt het een grote veeg. Alleen deppen."
Dus depten ze. Heel voorzichtig. Tip, tip, tip. Het keukenpapier werd bruin, en de vlek werd steeds kleiner. Eén Piet ging op zijn knieën zitten en blies er zachtjes op. Een andere Piet haalde een waaier en wapperde zo hard dat de kaarsen op het bureau flakkerden.
"Kun je het nog lezen?" vroeg de Sint bezorgd. Hij durfde bijna niet te kijken.
"Nog even wachten," zei de Hoofdpiet. "Het moet eerst helemaal droog zijn."
Dus wachtten ze. De klok tikte. De regen tikte. De Pieten hielden hun adem in. Het was zo stil dat je het paard in de stal kon horen snurken.
Toen tilde de Hoofdpiet de bladzijde op en hield hem bij de lamp. Hij bekeek hem van boven naar beneden. "Alles is nog te lezen," zei hij. "Elk woord. Er is alleen een klein vlekje overgebleven."
De Sint boog zich over het boek. Het vlekje was klein en bruin. En als je goed keek, had het precies de vorm van een hartje.
De Sint snoof eens. "Mmm," zei hij. "De bladzijde van Noor ruikt nu naar chocolade."
Hij las wat er op de bladzijde stond. Dat Noor elke ochtend haar kleine broertje helpt met zijn boterham. Dat ze de korstjes eraf haalt, omdat hij die niet lust. En dat ze er soms een gezichtje van stukjes komkommer op legt, zodat hij moet lachen.
De Sint glimlachte, zo breed dat zijn bril een beetje omhoogging. "Nou," zei hij, "dan weet ik wel welke letter er in haar schoen komt."
Op pakjesavond zat Noor met haar broertje bij de verwarming. Ze zongen een Sinterklaasliedje, zo hard dat de buren het vast konden horen. En toen ze in haar schoen keek, vond ze een grote chocoladen N. Ernaast lag een briefje, geschreven met krullende letters:
*Lieve Noor,
je bladzijde in mijn boek ruikt naar chocolade.
Dat past precies bij jou: je maakt alles een beetje zoeter.
Sinterklaas*
Noor las het briefje drie keer. Toen brak ze een klein stukje van de N af en gaf het aan haar broertje. Natuurlijk.
En in het huis van de Sint is er sinds die avond een nieuwe regel. Hij hangt op een bordje boven het bureau, zodat iedereen hem kan zien:
Boek op het bureau. Beker op het tafeltje ernaast. Nooit meer samen.