In het huis van Sinterklaas is een kamer waar bijna niemand mag komen. Niet omdat er iets geheims is, maar omdat er gewoon geen plek meer is. De hele kamer hangt vol met tekeningen. Van de vloer tot het plafond. Op de deur. Op de kast. Zelfs op de lamp.
Als je de deur opendoet, ritselt het. Krrrsj. Dan bewegen alle tekeningen een klein beetje, alsof ze je willen begroeten. En het ruikt er naar papier, naar waskrijt en een heel klein beetje naar pepernoten.
Er hangen paarden met zes benen en paarden met vleugels. Er hangt een Sint met een paarse baard en een Sint die op een dinosaurus rijdt. Er hangen stoomboten met wel twintig schoorstenen en een stoomboot die eigenlijk meer op een badeend lijkt. Er hangt een tekening van een schoen die zo groot is als een huis, met een heel klein kindje ernaast dat zwaait. En er hangt een tekening met alleen maar een groot rood hart. Eronder staat in wiebelige letters: VOOR DE SINT. De N staat achterstevoren.
Op een dag kwam een jonge Piet binnen met een mand vol post. Hij was nog maar net bij de Pieten. Hij wist nog niet waar alles lag. In de deuropening bleef hij staan en even wist hij niet wat hij moest zeggen.
"Sinterklaas," vroeg hij toen, "waarom bewaart u al die tekeningen? Het zijn er duizenden!"
De Sint legde zijn pen neer en kwam erbij staan. Hij nam de jonge Piet mee de kamer in. Voorzichtig, stapje voor stapje, zodat ze nergens tegenaan liepen. Ritsel, ritsel.
Hij wees naar een tekening van een paard dat er een beetje uitzag als een aardappel met benen. "Zie je dat?" zei hij. "Dat heeft een jongen van vier gemaakt. Hij heeft er een hele middag over gedaan. Hij heeft zijn tong uit zijn mond gestoken van het nadenken en zijn mooiste kleuren gebruikt. Kijk, hij heeft zelfs een wortel getekend. Die is groter dan het paard."
De jonge Piet grinnikte. "Het paard lijkt wel een aardappel."
"Dat klopt," zei de Sint. "En het is een prachtig paard."
Toen wees hij naar de tekening met het grote rode hart. "En deze is van een meisje dat nog niet kon schrijven. Haar grote broer heeft haar geholpen met de letters. Met z'n tweeën aan één potlood."
"Elke tekening," zei de Sint, "is eigenlijk een knuffel. Een knuffel op papier. En knuffels gooi je toch niet weg?"
De jonge Piet knikte langzaam. Toen werd hij een beetje stil. Zijn hand ging naar zijn jaszak, en weer terug. En weer naar zijn jaszak.
"Wat heb je daar?" vroeg de Sint vriendelijk.
"Niks," zei de jonge Piet. "Nou ja. Iets. Maar het is niet zo mooi."
Hij haalde een opgevouwen papiertje uit zijn jaszak en vouwde het open, heel langzaam. Het was een tekening van de Sint. Met een heel lange baard. Zo lang dat hij helemaal tot onderaan het papier liep, en daar nog een beetje omkrulde. En met een heel grote glimlach.
"De baard is te lang geworden," zei de jonge Piet zacht. "Ik kon niet meer stoppen."
De Sint bekeek de tekening heel lang. Toen streek hij over zijn eigen baard en begon te lachen, een warme, rommelende lach. "Weet je," zei hij, "zo voelt mijn baard 's ochtends ook. Veel te lang en vol krullen. Je hebt het precies goed gezien."
"Mag deze er dan ook bij?" vroeg de jonge Piet.
"Natuurlijk," zei de Sint. "Dit is een heel grote knuffel."
Maar waar moest hij hangen? De Sint keek naar links. Vol. Hij keek naar rechts. Vol. Hij keek naar de deur, de kast en de lamp. Vol, vol en nog eens vol. Toen keek hij omhoog.
Het enige plekje dat nog over was: midden op het plafond.
Klimpiet kwam met een ladder. Tik, tik, tik, de ladder op. Een stukje plakband, een duwtje met de duim, en klaar. Daar hing hij, de Sint met de veel te lange baard.
En sindsdien, elke keer als Sinterklaas die kamer binnenkomt, kijkt hij eerst naar boven. Dan glimlacht hij. En de Sint op het plafond glimlacht terug.