In de lente, toen het nog lang geen Sinterklaas was, stond Mats samen met zijn opa in de moestuin. De zon scheen. De aarde rook nat en zoet. Opa gaf Mats een piepklein zaadje. Het was zo klein als een kruimel.
"Wat wordt dat?" vroeg Mats.
"Een wortel," zei opa. "Als je goed voor hem zorgt."
Mats maakte met zijn vinger een gaatje in de grond. Hij legde het zaadje erin. Hij deed er voorzichtig een dekentje van aarde over. Klopje, klopje. "Slaap lekker," fluisterde hij. Opa zette een stokje naast het plekje, zodat ze het niet zouden vergeten.
"Weet je voor wie deze wortel is?" vroeg Mats. "Voor het paard van Sinterklaas."
Opa knikte. "Dan moet het een heel goede wortel worden."
En Mats zorgde heel goed voor hem. Hij gaf water als het droog was. Met zijn kleine groene gieter. Klets, klets. Hij trok het onkruid weg, plukje voor plukje. En elke zaterdag ging hij op zijn hurken naast het stokje zitten en vertelde de wortel hoe zijn week was geweest.
"Ik heb een tand die wiebelt," vertelde hij dan. Of: "Op school hebben we een slak gevonden. Die heette Gerrit." Of: "Ik kan al bijna fietsen zonder zijwieltjes."
Opa zei dat planten daar beter van groeien. Mats wist niet of dat waar was. Maar de wortel luisterde altijd heel goed. Hij zei nooit iets terug.
In de zomer werd het heel warm. Twee weken lang viel er geen druppel regen. De blaadjes van de wortel hingen slap naar beneden. Mats schrok. "Opa! Hij is moe!"
Toen liep Mats elke avond met zijn gieter heen en weer. Van de regenton naar de wortel. Van de wortel naar de regenton. Klets, klets. En na een paar dagen stonden de blaadjes weer recht overeind. Groen en fris, als een kleine pluim.
Toen kwam de herfst. De bladeren van de bomen werden geel en rood. De wind werd koud. En op een dag zei opa: "Ik denk dat hij klaar is."
Mats pakte de groene blaadjes vast. Hij trok. Er gebeurde niets. Hij trok harder. Nog steeds niets. Hij zette zijn voeten stevig neer en trok en trok en trok en... floep! Mats viel op zijn billen in het gras. En in zijn handen had hij een wortel.
Een oranje wortel. Maar hij was niet recht. Hij had een bocht in het midden. En onderaan had hij twee pootjes, alsof hij een broek aanhad.
Mats keek er lang naar. "Hij is een beetje raar," zei hij teleurgesteld. "De wortels in de winkel zijn allemaal recht."
Opa ging naast hem zitten. "Hij is niet raar," zei hij. "Hij is uniek. Zo'n wortel is er maar één keer. Op de hele wereld."
Mats keek nog eens. Het was waar. Er was geen enkele andere wortel met een broek aan.
Thuis waste hij de wortel heel voorzichtig schoon. Hij bewaarde hem in de koelkast, achteraan, met een briefje erop: NIET OPETEN. VOOR HET PAARD.
Toen Mats eindelijk zijn schoen mocht zetten, legde hij de wortel erin. Hij paste er net in, met de pootjes over de rand. Mats zong een Sinterklaasliedje, zo mooi als hij kon. Maar daarna twijfelde hij even. Zou het paard van Sinterklaas zo'n rare wortel wel lusten?
Die nacht droomde hij van een paard dat een broek aanhad.
De volgende ochtend rende hij de trap af. Tik tik tik, deden zijn sokken op de treden. Hij keek in zijn schoen. De wortel was weg! In zijn schoen lagen een mandarijn, een handje pepernoten en een briefje. Er stond op:
*Lieve Mats,
dit was de lekkerste wortel van het hele jaar.
Je kon proeven dat er met veel liefde voor gezorgd is.
Groetjes, het paard*
Onderaan stond een hoefje getekend.
Mats rende met het briefje naar opa. Hij zwaaide ermee door de lucht. "Opa! Opa! Hij vond hem lekker! Volgend jaar planten we er tien!"
Opa lachte. "Tien? Dan moet je wel tien keer vertellen hoe je week was."
"Dat is goed," zei Mats. "Ik heb heel veel te vertellen."