Elk jaar moet Rijmpiet honderden gedichtjes schrijven. Voor bij de pakjes. Voor in de schoen. Voor op de chocoladeletters. Elk jaar zit hij wekenlang aan zijn bureau, met een pen in zijn hand en een berg propjes papier om zich heen.
"Wat rijmt er op appelflap?" mompelt hij dan. "Kaap? Klap? Slaap?" En dan krabt hij op zijn hoofd tot het bijna gaat roken.
Maar dit jaar niet. "Dit jaar doe ik het slimmer," zei Rijmpiet op een maandagochtend. Hij wreef in zijn handen en ging aan de slag.
Hij nam een oude theepot. Hij nam een fietsbel. Hij nam een wekker die al jaren niet meer liep. En hij nam heel, heel veel tandwieltjes, groot en klein. Hij schroefde en hij plakte. Hij timmerde en hij knutselde. Tok, tok, tok. Tsjing!
Toen de middag bijna voorbij was, stond er iets vreemds op zijn tafel. Het tikte en het zoemde. Uit de tuit van de theepot kwam een dun wolkje stoom.
"Mijn rijmmachine!" riep Rijmpiet trots. "Je stopt er een naam in, en er komt een gedichtje uit. Nooit meer nadenken!"
Alle Pieten kwamen kijken. Bakpiet, Inpakpiet, en zelfs de Hoofdpiet, die eigenlijk geen tijd had. Ook Sinterklaas schuifelde binnen, met zijn handen op zijn rug.
"Laat maar eens zien," zei de Sint.
Rijmpiet schreef Lotte op een papiertje en stopte het in de theepot. Hij draaide aan de wekker. De machine begon te ratelen. Rammel, ratel. De tandwieltjes draaiden. De fietsbel rinkelde. Tring, tring! En onderaan kwam er een strookje papier naar buiten.
Rijmpiet las voor:
*Lieve Lotte, wat een pret,
jij poetst je tanden met een kroket.*
Het was even stil.
"Hmm," zei Rijmpiet. "Dat klopt niet helemaal. Lotte poetst haar tanden gewoon met een tandenborstel." Hij tikte tegen de theepot. "Nog een keer."
Deze keer schreef hij Bram. Rammel, ratel, tring, tring:
*Beste Bram, jij bent zo vlug,
je draagt een pannenkoek op je rug.*
Inpakpiet proestte het uit. Bakpiet moest zich aan de tafel vasthouden.
"Misschien moet hij nog even opwarmen," zei Rijmpiet snel. "Sinterklaas, mag ik uw naam proberen?"
"Ga je gang," zei de Sint.
Rammel, ratel, tring, tring. Het strookje kwam eruit:
*Lieve Sint, met je baard zo lang,
jij bent voor wollen sokken bang.*
Nu konden de Pieten zich niet meer houden. Ze lagen dubbel van het lachen. Ze rolden over de vloer. De Hoofdpiet hikte zo hard dat zijn pen van het bureau sprong. En Sinterklaas? Die moest zijn bril afzetten om de tranen uit zijn ogen te vegen.
"Wollen sokken!" grinnikte hij. "Ik heb er zelf drie paar aan."
Rijmpiet keek naar zijn machine. Hij voelde zich ineens heel klein. Hij had er zo hard aan gewerkt. "Hij doet het niet goed," zei hij zacht.
Sinterklaas legde een hand op zijn schouder. "Het is een heel grappige machine," zei hij vriendelijk. "Ik heb in tijden niet zo gelachen. Maar weet je, Rijmpiet? De mooiste gedichtjes komen niet uit een theepot. Ze komen uit je hart. Want alleen jij weet wat een kind bijzonder maakt."
Rijmpiet zuchtte diep. Toen ging hij zitten en pakte zijn pen. Hij keek uit het raam, waar de eerste sneeuwvlokjes vielen. En hij dacht heel goed na over Lotte.
Hij dacht aan hoe Lotte elke ochtend op haar kleine broertje wacht. Hoe ze zijn jas dichtritst als de rits blijft haken. Hoe ze zijn want zoekt als hij die weer kwijt is. En hoe ze altijd zijn hand vasthoudt bij het oversteken.
Het werd stil in de kamer. Je hoorde alleen de pen. Krs, krs, krs. Toen las Rijmpiet voor:
*Lieve Lotte, elke dag
help jij je broertje met een lach.
Je ritst zijn jas, je zoekt zijn want,
je neemt hem samen bij de hand.
De Sint ziet alles, groot en klein,
en is zo blij dat jij zo lief kunt zijn.*
Niemand lachte nu. Inpakpiet moest even slikken. Bakpiet keek heel hard naar het plafond.
"Zie je wel," zei de Sint zacht. "Dát is een gedicht."
Sindsdien staat de rijmmachine in de hoek, met een kleedje eroverheen. Alleen op vrijdagmiddag mag hij nog even aan, voor de grap. Dan komen alle Pieten kijken en raden ze wat er nu weer uit komt.
Vorige vrijdag stopte Rijmpiet zijn eigen naam erin. Rammel, ratel, tring, tring. Er kwam een strookje uit, en daarop stond:
*Lieve Rijmpiet, wees maar blij:
het mooiste rijm komt niet van mij.*