Elke ochtend staat Bakpiet heel vroeg op. Nog voor de zon, nog voor de vogels. Hij kneedt deeg. Hij strooit kaneel. En hij rolt pepernootjes. Kleine, ronde pepernootjes. Duizenden en duizenden.
Rol, rol, rol. Op de bakplaat. In de oven. Klaar!
Rol, rol, rol. Op de bakplaat. In de oven. Klaar!
"Zo," zei Bakpiet op een dag, en hij veegde het meel van zijn handen. "Altijd maar kleine pepernootjes. Dit jaar wil ik eens iets bijzonders maken."
Hij pakte de grootste kom die hij kon vinden. Daarna de grootste lepel. Hij deed er bloem in, en boter, en suiker. Een hele berg kaneel. Een snufje van dit en een snufje van dat. Roer, roer, roer.
En toen nam hij al het deeg dat er was. Al het deeg! En hij rolde er één bal van.
Eén héle grote bal.
Rol, rol, rol. De bal werd groter. Rol, rol, rol. Nog groter. Zo groot als een strandbal.
"Hmm," zei Bakpiet. Hij keek naar de bal en toen naar de oven. De oven was eigenlijk te klein. Veel te klein.
Bakpiet duwde. Hij wrong. Hij zette zijn schouder ertegen en duwde nog eens. "Hup… hup… hup!" En met een klik ging de ovendeur net dicht.
Toen was het wachten. Bakpiet ging op een krukje zitten. Hij neuriede een liedje. En langzaam, heel langzaam, begon het te ruiken. Naar kaneel. Naar warme koekjes. Naar Sinterklaas.
Het rook zo lekker dat de buren hun ramen openzetten. Het rook zo lekker dat de poes van de overkant op de vensterbank kwam zitten.
Een uur later deed Bakpiet de oven open. En…
PLOF!
Een pepernoot zo groot als een strandbal rolde naar buiten. Over de vloer. Door de keuken. Door de open deur. Zo de straat op.
"Halt!" riep Bakpiet. "Stop, pepernoot!"
Maar de pepernoot stopte niet. Hij rolde vrolijk verder.
Rol, rol, rol. Langs de bakker. De bakker liet van verbazing zijn brood vallen.
Rol, rol, rol. Langs de bibliotheek. Een mevrouw keek op van haar boek.
Rol, rol, rol. Langs de speeltuin. De kinderen sprongen van de schommel en holden erachteraan.
Een hond blafte. Woef, woef! Een duif fladderde verbaasd op. Koer, koer! En Bakpiet rende erachteraan, met zijn armen in de lucht. "Wacht nou even!"
Toen kwam er een heuveltje. De pepernoot rolde naar boven, steeds langzamer, en langzamer… Bijna stond hij stil. Bakpiet strekte zijn handen al uit.
Maar nee hoor. Aan de andere kant ging het naar beneden. En daar ging de pepernoot weer, nog sneller dan eerst. Rol, rol, rol!
Pas op het marktplein bleef de pepernoot liggen. Bonk. Tegen het bankje van een oude meneer, die daar zat te genieten van het zonnetje.
De oude meneer keek naar de pepernoot. De pepernoot lag stil. De kinderen kwamen hijgend aangelopen. De hond ook. En als allerlaatste Bakpiet, puffend en hijgend, met deeg aan zijn handen.
Net op dat moment kwam Sinterklaas aangereden op zijn schimmel. Klip, klop, klip, klop. Hij hield zijn paard in. Hij keek naar de pepernoot. Hij keek naar de hijgende Bakpiet. En hij keek naar alle kinderen eromheen.
Toen begon Sinterklaas te lachen. Een diepe, warme lach.
"Wel, wel," zei hij. "Die is precies groot genoeg voor iedereen."
En zo kreeg elk kind op het plein een stukje van de allergrootste pepernoot ooit. Krak, krak, krak. Hij was nog een beetje warm. Hij smaakte naar kaneel en naar feest.
Ook de oude meneer kreeg een stukje. En de hond. Een heel klein stukje maar, want honden mogen niet zoveel snoepen.
Bakpiet bakt sindsdien weer gewone, kleine pepernoten. Rol, rol, rol. Op de bakplaat. In de oven. Klaar!
Maar elk jaar maakt hij er eentje net iets groter dan de rest. Gewoon, voor de gezelligheid.